Home

Strand

door Frans Goddijn
Als een bijziende die een smalle trap beklimt, de handen tastend naar een niet bestaande leuning, zo loopt ze, vier jaar oud, over het scherpe schelpenstrand, haar voeten hoog optillend bij elke stap. Haar ogen zijn niet altijd gelijk gericht, maar wanneer ze zich omdraait en grimmig schaterlacht, blikt zij mij helder toe.

W. is een meisje met Down syndroom, de jongste dochter van buren in een kleine nederzetting van duinhuisjes. Toen ze mij een paar dagen geleden voor de eerste maal had gezien, was ze juist in mijn kuil op het strand getuimeld. Ik lag daar te lezen, buiten bereik van de straffe wind die over de grond floot. Een laagvliegend tapijt van stofzand snelde onophoudelijk in een schuine baan de golven tegemoet. Het droge, scherpe zand was in W.'s ogen gewaaid en geërgerd, wat pruilend ook, haar tong ver uit haar mond, dook ze misschien een beetje verblind over de rand van de diepte heen. Verrast maar niet geschrokken ontdekte ze mij, een bleke, ingekuilde boekenwurm. Ze keek lachtend over me heen, bukte voorzichtig en greep zich vast aan mijn tenen.

Zonder woorden leerde ze mij hoe ze wenste te spelen: voetzolen kriebelen, tenen tellen en in een bed van zand toestoppen, waarna deze, ongezeggelijk, zich weer loswoelen en tot haar eigen verbazing te voorschijn springen. Ik stelde voor om hard te trappelen, maar W. weigerde beslist met een duidelijk uitgesproken 'nee', waarna ze welgemoed mijn opgetrokken knieën beklom en mij omver duwde totdat ze over me heen rolde.

Ik wilde weer op de grond trommelen, maar even fel als terloops riep ze 'nee-ee!' en klauterde op mijn rug om voorover langs mijn hoofd weer naar beneden te duikelen. Toen ik daarna in grenzeloze overschatting van mijn geringe vindingrijkheid met mijn benen in het zand spartelde, bleek de maat vol: 'nou! nou!', riep ze huilend. Geschrokken pakte ik haar op, maar alweer lachend om zoveel onnozelheid bij een volwassenen, klemde ze mijn hoofd in haar armen en klopt zachtjes op mijn kruin.

Mijn eigen dochters halen hun hart op aan W.'s vader, een lange, gespierde man met een ruige, rode baard. Hij laat vakkundig vliegers op, jongleert met tennisballen en draagt de kinderen een voor een, staande op zijn schouders, de golven tegemoet. Aan zijn hand springen ze over de kleine golven, terwijl de grote hen overspoelen. Zodra de derde, de hoge en schuimende golf wijd op het strand is uitgelopen en achtergelaten, staan de kinderen vol vertrouwen hand in hand bij hun kapitein. Met barse stem roept hij iets tegen de volgende golf, welke zich geleidelijk maar onvoorspelbaar verheft, een beetje daalt en zich dan hoger opwerpt om alsnog over de kinderen te struikelen.


Updated June 6, 2001