Home

Straatbeeld

door Mies Prinsen
8 Augustus 2001

Regelmatig fietst hier een man schaterlachend voorbij. Tussen zijn lachbuien door roept hij luid allerlei onverstaanbare teksten. Of ik wil of niet, mijn gezicht blijft ook niet in de plooi, ik lach met hem mee. Deze man, zo heb ik gehoord, heeft, als hij zo moet lachen, zijn medicijnen niet op tijd ingenomen. Wat is daar mis mee? Denk ik nu. Laat die man vrolijk zijn. Werd er maar door veel meer mensen gelachen, de humor ligt toch op straat?

Iedere stad en elk dorp heeft zijn inwoners die door hun gedrag opvallen. Ze blijven je bij omdat zij niet onder gaan in de massa.

In Leiden, waar ik woonde van 1937 tot 1953, hadden we ook bijzondere types rondlopen. Ik herinner me "Kale Mozes", waarom de man zo genoemd werd mag Joost weten want hij was zwaar behaard, hij had zelfs een lange baard! Hij sjokte langzaam, voorover gebogen door het leven in zijn lange, tot op de draad versleten jas en hij droeg altijd een jute zak over zijn schouder.

Kale Mozes had zo zijn vaste adressen. Hij belde daar aan, kreeg wat brood of geld dat hij zwijgend aannam en hij trok verder. Als kind was ik een beetje bang van hem en tegelijk voelde ik medelijden. Hij was zo alleen, vond ik.

Dan was daar "Zotte Betje" [ZOT is trouwens echt Leids]. Zotte Betje liep achter een kinderwagen waar ze haar hondje in had liggen of zitten. Ze had naast de kap van de kinderwagen een plankje vastgemaakt en daarop een schaaltje vast getimmerd. Hierin zat het voer voor de hond die als een baby onder de dekentjes lag als het koud was. Die Zotte Betje liep wat af.

Ook hadden we "Stinkende kreng", een zonderlinge vrouw die deze naam aan zichzelf te danken heeft. Zij kwam altijd op je af en brabbelde dan wat. Je kwam zomaar niet langs haar, ze was nogal opdringerig. Toen we een keer met een groep meiden als giechelende tieners uit school kwamen, stoof ze weer eens op ons af. We hadden er geen trek in en durfden haar met zijn allen wel uit te lachen. Betje werd kwaad en riep Stinkende Krengen!!! Zo kreeg ze haar naam en binnen korte tijd noemde iedereen haar zo.

Opa Bloot was ook een figuur die iedereen in de omgeving wel kende. Bloot was zijn echte achternaam. Een vriendelijke heer, spierwitte baard en haren. Een echte opa. Hij liep steeds te wandelen met een klein hondje, een poedel. Hoe dat zo is begonnen weet ik niet, maar zo gauw Opa Bloot in beeld kwam rende ieder kind naar hem toe met de vraag: "Opa Bloot heeft u nog een rijmpje?" Zo, voor de vuist weg had hij dan een rijmpje dat op jou betrekking had. Bijvoorbeeld "Jij draagt een witte trui en mijn vogeltje is in de rui". Altijd twee zinnen, nooit een keer het zelfde. Dat vond je als kind prachtig. Nadat hij het rijmpje had gezegd liep hij gewoon verder.

In de winter van '55-'56 vroor het dat het kraakte. We woonden in Roermond en daar was het dat ik in de krant las dat in Leiden Kale Mozes was doodgevroren. Hij bleek al jaren te hebben gebivakkeerd in een onbewoonbaar verklaarde woning zonder ramen. Een boom had zijn takken al lange tijd geleden er doorheen geboord. Dat er na zijn overlijden een flink kapitaal aan kleingeld is gevonden onder de vloer van dat huis is nog triester. De man bleek goed bij kas te zitten. Zat er dus warmpjes bij, maar vroor toch dood.

Aan deze figuren moest ik vandaag denken toen de man voorbij kwam die zijn medicijnen weer niet had ingenomen en daar zo'n plezier mee had.


Updated July 6, 2002