Home

In de rioolbuizen

door Mies Prinsen

Het zal in de winter van 1944 of 1945 geweest zijn dat mijn vader werd gewaarschuwd dat er een razzia op komst was. De Duitsers werden harder in hun optreden, razzia op razzia volgde, geen jongen of man werd ongemoeid gelaten. De leeftijd waarop jongens werden opgepakt en naar Duitsland vervoerd om daar als slaven te werken in de oorlogsindustrie werd steeds lager. Daarom werd het ook voor mijn broer Guus die in '44 16 jaar was niet meer veilig om zich op straat te begeven. Het gaf natuurlijk de nodige spanning, hij was al eens beschoten toe hij er van door ging op het moment dat een mof hem in het oog kreeg, door over een heg een greppel in te duiken en zich enkele uren stil te houden is hij weer thuis gekomen. Degene die thuis waren voelde ieder uur de spanning stijgen. Guus was naar Oegstgeest om daar een door mijn vader besteld "wonder oventje "op te halen. Weer een van de dingen die men had uitgevonden om met weinig brandstof toch iets te kunnen bakken, b.v. tulpenbollen brood. Daarover later.

Door die onheilstijding vond vader het beter dat Guus die nacht niet thuis bleef. De moffen zouden onze buurt afzetten en huizen doorzoeken, zo was werd gewaarschuwd.

Vader besloot samen met Guus naar het terrein van de betonfabriek Wernink te gaan. Hij dacht de vondst van zijn leven gedaan te hebben door met Guus in een van de rioolbuizen te kruipen die daar in grote aantallen lagen opgeslagen. Nu nog kan ik de spanning herinneren die er in huis heerste toen vader en Guus weg waren, alles pikdonker door de verduistering, geen licht op straat, de vensters verduisterd, alles stil, pikdonker en erg koud. Het vroor behoorlijk.

Tegen drie uur in de nacht, niemand mocht na 20 uur op straat tot de volgende dag 7 uur, kwamen vader en Guus ineens weer binnen. Dat was op zich al gevaarlijk om op dat tijdstip over straat te gaan. Beiden waren meer dood dan levend van de kou. Ik hoor vader nog tegen moeder zeggen, "moeder ik laat hem liever levend met de moffen mee gaan dan dat ik hem dood zie vriezen in een rioolbuis. "

Maar achter vader stond nog een figuur die we pas herkenden toen het kleine lampje werd verplaatst, het was Wim Dijkmans, een jongen iets ouder dan Guus. Wim was een hele droge en kwam op mij steeds over als iemand die ze nergens gek mee kregen, zijn uitdrukking was altijd alsof hij zich verbaasde en wilde zeggen, "waarom zo veel drukte, is er wat?"

Deze Wim, die ook uit een groot gezin kwam, had de pech dat zijn vader al erg oud was en dat hij alleen nog over zussen had, dus die was in zijn eentje op pad gegaan om onder te duiken. Ook hij had de rioolbuizen opgezocht, ook met het idee dat hij er alleen zou zijn.

Toen vader en Guus besloten om, nu ze nog in leven waren, maar naar huis terug te gaan, en heel stil, voorzichtig de buurt verkenden om te horen of er geen moffen waren --- zien kon je dat al helemaal niet, klonk er ineens achter hun "goeienacht"

Het was de schrik van hun leven met daarna de opluchting dat het Wim Dijkmans was. Ook hij had het verschrikkelijk koud. De kleding was n.l. ook niet meer zo, dat die je de nodige warmte kon verschaffen na jaren van weinig textiel bonnetjes. Wat we hadden brachten de moffen naar Duitsland.

Vader zei tegen Wim ``jij blijft ook hier, ik heb wat bedacht'', en begon de servies kast uit te ruimen. Vader was van origine timmerman en wist wel hoe een en ander in elkaar stak. Wij hadden van de voorkamer [de nette kamer] naar de achterkamer schuifdeuren met aan weerkanten kasten. Boven de schuifdeuren was een ruimte van iets meer dan 50 cm. hoog en 70 cm. Breed en de lengte zal misschien ruim 2 meter geweest zijn. Boven in de kast werd een opening gemaakt die ook weer prima kon worden gesloten. De jongens konden er maar net doorheen, maar het lukte. En zo had vader een schuilplaats in huis gemaakt. Het luik dicht, servies weer op zijn plaats en wij probeerde rust te vinden.

Wim is daarna elke avond en als het er om spande ook wel eens overdag bij ons in het luik gekropen samen met Guus.

De jongens moesten wel eens plassen, en ook daar werd iets op gevonden. Wij hadden nog ergens een vrij groot blik in de schuur staan dat dienst kon doen. Dat blik ging iedere keer achter de jongens aan het luik in, het paste maar net en de jongens moesten de nodige toeren uithalen om hun blaas te legen, maar dat gaf ook afleiding in spannende tijden.

Veel later hoorden wij dat meerdere mensen die ruimte hadden ontdekt en wat erger was, ook de moffen waren op de hoogte. In sommige gevallen hebben ze, als er echt een bepaalde persoon werd gezocht, de bajonet in die ruimte gestoken om te voelen of er iemand zat.

Het is toch een wonder achteraf dat er naast ons aan de linkerkant, in het bovenhuis een n.s.b.-er woonde, terwijl er onder een Nederlandse militair woonde met wat strepen waar, zo bleek later, schietoefeningen werden gehouden door de ondergrondse.

Het is ook vreemd, dat besef ik nu, dat de rij huizen waarvan wij er een bewoonden op de Hoge Morsweg, bestond uit boven -en benedenwoningen, aparte huisdeuren. Het huis waarin wij woonden was het enige hele woonhuis en stond daar gewoon tussenin. Het is ook niet meer te begrijpen dat toen mijn ouders daar besloten te gaan wonen, er een overschot aan huizen was en de verhuurder aanbood het huis gratis te laten behangen als ze de woning aanvaardden. Dat was in 1937.

Onze tuin grensde aan een tennispark van de heer Vreeburg. Wij konden als buren gebruik maken van de Achterom gang, een pad dat langs de tennisbaan liep.

Ik heb vaak gekeken naar de lessen en de wedstrijden die er in de zomer te zien waren. In de winter werd het onder water gezet en werd er op geschaatst. Dat was voor mij niet weggelegd, als kind uit een groot gezin kon de "bruin" dat niet trekken.

Wij waren met zes kinderen, ga daar maar eens aan beginnen. Wij schaatsten ook, maar dan op de sloot aan de overkant.

Mies Prinsen, 4 Mei 2001