Home

Het houdt nooit op

door Mies Prinsen
16 september 2001

Deze week zijn we allemaal weer eens geconfronteerd met het verschrikkelijke dat wij mensen elkaar kunnen aandoen. Vier vliegtuigen werden gekaapt door krankzinnige extremisten. Twee vliegtuigen werden door deze lieden op de enorme gebouwen van het World Trade Center in New York af gestuurd. Beide 110 verdiepingen tellende kantoorgebouwen, waar duizenden mensen werken, werden door deze vliegtuigen doorboord. Na een hevige brand stortten ze korte tijd later in. Op ieders netvlies staan deze beelden. Een onvoorstelbaar leed was aangericht. Ook in Washington lieten misdadigers een toestel neerstorten op het Pentagon, ook daar vele doden en gewonden. Het vierde toestel kwam met zijn passagiers in de bossen rond Pittsburg terecht. Onschuldige mensen in dit toestel vonden ook de dood.

Wat is het toch dat mensen tot monsters maakt, die tot zoiets in staat zijn.

Ook nu weer hoor ik dagelijks "dit mag nooit meer gebeuren." Dit korte zinnetje kan ik bijna niet meer horen, te vaak heb ik het horen zeggen na grote of kleine rampen, door mensen veroorzaakt. Hoe goed bedoeld vaak, ik vind het goedkoop klinken, omdat we met zijn allen niets doen om een leefbare wereld te creëren, te delen en elkaar te respecteren om wie we zijn.

In kleine familiekring ervaar ik al verwijdering om geloof en status. Vriendschappen gaan stuk door jaloezie. Wat wil ik eigenlijk verwachten van de grote wereld daar buiten?

Het was in het voorjaar van 1945 dat ik, staande in een rij, wat in die tijd normaal was voor de eerste levensbehoeften, een gesprek opving van twee volwassen heren. Ze waren als iedereen blij met het einde van de oorlog en voor het eerst hoorde ik "dat zoiets nooit meer mocht gebeuren". Dat kan ook niet meer zei de andere man, er kan geen oorlog meer komen omdat er een atoombom is uitgevonden.

Nu nog weet ik dat ik op dat moment een intens geluksgevoel kreeg dat ik niemand kon vertellen. Dit is weer zo'n herinnering waarvan ik nog precies weet waar ik stond, zelfs wat ik rook toen ik het van die mannen hoorde. Het was in de Haarlemmerstraat tegenover La Bruère, een winkel met allerhande artikelen van leer. Mijn moeder noemde deze zaak altijd "de dubbele portemonnaie". Hoe die naam is ontstaan weet ik niet.

Even verderop kwam muziek uit een café, het toen populaire nummer "Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur" werd gedraaid. Deze combinatie, het bericht dat ik juist had vernomen dat er nooit meer oorlog zou komen en het liedje over het paardenhoofdstel zouden voorgoed bij elkaar horen. Later als ik dat lied hoorde, voelde dat voor mij als een bevrijdingslied. Even voelde ik me dan weer als op dat moment, gelukkig. Letterlijk huppelend van geluk ben ik met mijn boodschap naar huis gegaan. Iedereen was in die tijd druk met het verwerken van de ellende en opruimen van die rotzooi die de oorlog had achtergelaten, ik heb niet kunnen vertellen wat ik had gehoord.

Gisteren zag ik de uitzending op de tv naar aanleiding van het drama dat plaatsvond in Amerika, een uur van bidden en bezinning. Mooie woorden werden opnieuw gesproken door velen, van welk geloof of afkomst dan ook. Waarom kan zoiets niet in het dagelijks leven?

Zoals al die mensen die elkaar letterlijk vasthielden in New York deze week, om elkaar te steunen. Wat had ik daar graag bij gestaan. We houden elkaar veel te weinig vast, letterlijk en figuurlijk, Toch? We houden niet echt van elkaar, terwijl we toch maar zo kort bij elkaar mogen zijn.

Ik voel me triest vandaag en omdat ik met niemand kan praten op dit moment, gaan deze gedachten in mijn dagboek.

En, dan is er nog Saskia, die moet beter worden. Nu ben je in Madrid met Frans, in gedachten ben ik bij jullie.


Updated July 6, 2002