Home

Niet vergeten

door Mies Prinsen
1 Maart 2002

Als vrijwilligster bezocht ik jaren geleden, op verzoek van een pastoor, mensen in een verpleeghuis in Doetinchem. Het was de bedoeling dat ik contact zou gaan onderhouden met de katholieke patiënten die in het hervormd verpleeghuis waren opgenomen. Direct heb ik verteld dat ik me graag wilde inzetten voor dit werk, maar dan humaan, niet alleen voor de katholieke bewoners. Voor alle zekerheid gaf mijnheer pastoor me toch een lijstje met de namen van de daar katholieken maar daar heb ik geen gebruik van gemaakt.

Al snel had ik de eerste contacten gelegd en ik voelde me betrokken bij lief en leed van een aantal bewoners. Ik proefde de eenzaamheid die uit elk gesprek duidelijk naar voren kwam. Na een paar maanden kende ik veel van de patiënten. Ik leerde aanvoelen wanneer iemand wat extra aandacht kon gebruiken en zo reed ik op Zondagmiddag nog wel eens even richting Doetinchem om er een uurtje binnen te gaan voordat ik mijn vrienden of kinderen opzocht. Dat was geen opoffering, integendeel.

Op donderdag was ik meestal vanaf 14 uur tot laat in de avond naar het verpleeghuis. Sommige patiënten waren altijd op hun kamer waarvan de deur naar de gang open stond. De allereerste patiënt waarmee ik kennis maakte was de heer Helmink. Hij had MS -- in de kracht van zijn leven was hij daardoor geveld. Hij was zo trots dat hij als Tamboer Maîre in militaire dienst zoveel succes had gehad en de heimwee naar die jaren spraken in zijn ogen. De foto’s uit die tijd heb ik vaak samen met hem bekeken. Zijn armen kon hij al niet meer gecontroleerd bewegen en het spreken ging moeilijk maar graag vertelde hij over zijn vrouw en 2 kinderen en dat hij destijds in Arnhem zo mooi woonde. Dat ging mij dan door merg en been.

Hij werd soms door zijn vrouw opgehaald om een dag thuis door te brengen, b.v. als hij jarig was. Dan ging ik ook naar hem toe en zo kreeg ik contact met zijn thuisfront. Als het mooi weer was, vroeg ik of de verpleegsters hem wilden aankleden zodat ik met hem naar buiten kon gaan. Hij kwam anders nooit in de buitenlucht, daar hadden de verpleegsters geen tijd voor. Zo wordt het wereldje heel klein voor mensen die door het noodlot hun jaren in een tehuis door moeten brengen. Dat is zo geestdodend.

Als er te weinig aandacht en liefde naar mensen toevloeit dan geven ze het leven op, zo maakte ik mee. Een voorbeeld: in de `huiskamer', een grote ruimte met uitzicht op groen, stonden meerdere grote ronde tafels waar omheen patiënten zaten. Ze waren er door de verpleegsters naar toe gebracht, netjes in de stoel gezet en aangeschoven, een enkeling in de rolstoel.

Met een “goedemiddag allemaal” schoof ik erbij aan en al snel raakte ik in gesprek met enkele dames. Het viel me op dat naast mij een wat oudere man zat, diep onderuit naar één kant weg gezakt, met de ogen dicht. Ik vroeg hem, terwijl ik mijn arm om hem heen sloeg “Zit u wel goed?” De man, die ik niet in zijn gezicht kon zien omdat hij het hoofd slap liet hangen, gaf geen geluid.

“Laat mijnheer Schoenmaker maar, hij kan niet praten, die weet van niks meer", werd me verteld. "Dat kan wel zo zijn," zei ik "maar daarom kan hij nog wel een beetje gemakkelijker zitten." Ik vroeg welke kamer en welk bed van hem was en haalde zijn kussen. Het kussen bracht hem wel in een betere houding maar zijn hoofd bleef omlaag. Mijn tas stond naast me op de grond. Ik legde mijn hand op Schoenmakers arm. Op de een of andere manier voelde ik dat hij me in de gaten hield. Hij keek steeds naar mijn tas. Om te zien of ik dat goed had ingeschat verzette ik mijn tas en… jawel, ik zag zijn iets geschrokken reactie. Hij bewoog ook als ik mijn hand weghaalde, een tikkeltje protest.

Daarom ging ik na een half uur even op de hurken om zijn gezicht te zien, zijn ogen. Ik kon er veel in lezen. Ik nam zijn gezicht in mijn beide handen en gaf hem een kus, gewoon omdat ik niet anders kon. Die middag heb ik lang aan die tafel gezeten, met mijn arm om hem heengeslagen.

Voordat ik wegging heb ik hem heel duidelijk verteld dat ik zeker bij hem terug zou komen. Als enig antwoord liet hij wat geluid horen, meer niet.

De eerstvolgende keer dat ik langs kon gaan zocht ik mijnheer Schoenmaker weer op, haalde opnieuw zijn hoofdkussen en ik ging naast hem zitten. Ik zag dat hij me van opzij even opnam, wat wantrouwend. Als ik hem wat vroeg dan bromde hij wat voor zich uit. Na weken van ditzelfde ritueel viel me op dat hij steeds wat meer overeind op was gaan zitten. Ook legde hij zijn hand zelf al naast die van mij, alsof hij vroeg “hou mijn hand nog eens vast”. Dat vond ik ontroerend. Ik gaf hem dan een kus en hield zijn hand vast.

Nog wat later begon hij te praten. De verpleegsters waren verbaasd en vertelden mij dat hij weer zin in het leven begon te krijgen. Ze merkten ook dat hij uitkeek naar de donderdagmiddag. Hij was weer in tel.

Hij kon niet meer lopen en niemand kreeg hem zover om naar therapie te gaan. Voor hem hoefde dat allemaal niet meer, maar ik heb mogen meemaken dat hij wel naar therapie ging, als ik maar kwam kijken en hem dan weer meenam naar de huiskamer.

Mijnheer Schoenmaker is inmiddels overleden maar ik denk nog aan hem. Ik heb met hem mogen praten en hij heeft mij over zijn leven verteld. Hij is ook nog, zij het moeizaam, gaan lopen. Een dierbare herinnering. Hierdoor ben ik er ook van overtuigd geraakt dat je eerder dementeert als er niemand meer over is die je nog belangrijk vindt, als je je onbelangrijk en in de steek gelaten voelt.

Ik zag mijnheer Schoenmaker weer helemaal voor me toen ik dit gedicht van Wil Melker ontdekte:

Mijn moeder is verdwaald.

Weer loop je
Naar de kast
De koekjestrommel
Maakt zijn rondjes
Je zucht,
Ik ben een gast
Je verteld over je zoon,
z’n witte hondje

Het zwarte oor
Je verhalen draaien door
De foto’s op de tafel
Je fluistert
Dat je hem wilt zien
Of ik je de groeten doe
Hij komt niet vaak bij moe

Ik kus je goedendag
Je ogen zijn afwezig
De foto’s heb ik
Bij elkaar geraapt
Want jij was even bezig
Je lijkt te dromen
Schuchter vraag je mij
Ken je mijn zoon,
Die zou ook komen

Wil Melker


Updated July 6, 2002