Home

Merel

door Frans Goddijn
Tussen de dikke wortels van een boom, die zich in de loop der jaren traag maar onbedwingbaar uit het trottoir hebben losgewoeld, zien we een klein donker vogellijfje liggen. Het leeft nog. Zou het jong zijn? De vleugels zijn onhandig lang, zoals het hoofd van een zuigeling meelijwekkend groot kan zijn. De vleugelveren slepen, kruiselings, als de slippen van een oude pandjesjas over de grond, wanneer het vogeltje voor ons wegkruipt tegen de boom, in de oksel die twee wortels samen vormen. We nemen het mee en geven het onbeholpen bescherming - een kartonnen doos. Onze poes wordt tijdelijk verbannen. Een klein torretje kruipt tussen de buikveren tevoorschijn en verlaat de doos, waarin de vogel even later sterft.

Klaartje Schmitz stuurt mij een gedicht dat ze onlangs schreef nadat ze een stervende merel had gevonden:

Rossige paden
Hard zand en klei
Uitstekende wortels
En een wilde bosaardbei
Het pad loopt omhoog
De zon staat al laag
En achter de heuvel
Sta ik langs het pad
En je vraagt of ik je draag.

Dan draag ik je verder
Op het pad naar het dal
De maan is al gekomen
Hij is rond --- een witte bal.

Je bent zo lief
Je ligt in mijn armen
De avond is kil
Ik probeer je te verwarmen.

En na een poosje
Bereik ik het hek
Van ons huis
De wind waait in de pereboom
Ik herken het geruis.

De achterdeur maakt
Een piepend geluid
Schichtig kijk je
Terwijl ik zoek naar een beschuit
Gevonden
Ik verkruimel het voor je
Op de tafel
En grinnik
Nadat je het zo hebt verslonden.

Ik kijk naar je
Je kan niet vliegen
Alleen maar wat
Met je achterste wiegen.

Je blijft bij mij
Zeg ik zacht
En aai over je donzige veren.

In een kooitje van zolder
Slaap je vannacht bij het raam
Ik ga naar bed
En laat je daar staan.

`s Morgens sta ik naast je
In de morgenpracht
Besef ik, je bent dood
Het lijkt of je lacht.

En ik voel me gevleid
Omdat jij me gister vroeg
Langs de kant van de weg
Of ik je naar je grafje droeg.


Updated May 1, 2001