Home

Knikker

door Frans Goddijn
Petertje, ons buurjongetje, is negen jaar oud. De mensen die er in zijn leven toe doen, spreken hem zo niet aan: zijn moeder noemt haar oogappel Pippeloentje, zijn veel oudere broer neemt helemaal geen notitie van zijn 'baby brother' die voor hem naamloos is gebleven. De prestigestrijd waarin broers kunnen verkeren, is door Petertje bij voorbaat verloren.

In zijn nette pakje ziek hij eruit als een hollands heertje, een snel verdwijnende zeldzaamheid op de buurtschool, die vooral wordt bezocht door kinderen met kastanjebruine krullen. Zo moet ik er vroeger zelf hebben uitgezien, maar ik viel niet op, een van de vele parmantige matrozen, door moeder aangekleed en gekapt, met een bravoure ('hollandse jongens huilen niet!') die door niemand werd beproefd. Petertje echter wordt op school links en rechts voorbijgesneld door klasgenootjes die gewend zijn vlug te reageren, die geen speelgoed te verliezen hebben en geen nette kleren, ongeschikt voor het raggen en het klimmen in bomen en regenpijpen.

De flair, die een jongetje van zijn leeftijd heeft, is daardoor bij Petertje uitsluitend verbaal. Toen hij laatst bij ons in de huiskamer speelde met mijn twee jaar jongere dochter Veerle en haar vriendinnetje Lienke, stond het drietal op een bank en een voor een zouden ze van deze bank, die op glad parket staat, overspringen naar de schommelstoel een stukje verderop. Petertje riep, vrolijk en opgewonden, dat hij aanstonds de grootste sprong van allen zou maken, een reuzestap zou nemen, een apeduik waar de wereld versteld van zou staan, maar terwijl Veerle en Lienke keer op keer de oversteek waagden en landden op de zitting van de vervaarlijk kieperende schommelstoel, bleef Petertje staan en vervolgde zijn aandoenlijke standwerkers-act. De bewondering van de twee meisjes was er merkwaardig genoeg niet minder om: zij herinneren zich niet anders dan dat Petertje inderdaad de grootste sprongen maakte.

Veerle geniet van Petertjes aandacht, wanneer hij zich maar wil verwaardigen te spelen met zijn jongere buurmeisje. Zodra zich de kans voordoet om met grotere jongens en een voetbal te spelen, verlaat hij haar onmiddellijk, maar soms zoekt hij haar bewust op, zoals gisteren, om te knikkeren. Veerle was gelukkig en nam de knikkerzak uit de kast. Er zaten mooie knikkers in die zij samen met haar zusje had opgespaard. Ze zouden spelen 'zonder houwens'. Na een paar uur echter kwam Veerle, stil en alleen, terug. Ze had zich laten overreden toch 'met houwens' te spelen en was een voor een alle mooie knikkers kwijtgeraakt, sommige door nieuwe spelregels die ze niet had begrepen, andere doordat ze had aangevoeld dat het heerlijke spel met haar idool, op de eerste lentedag van het jaar, zou stoppen als ze niet doorging met het telkens opnieuw 'opdoen' van een pronkstuk.

Lore onderbrak haar viool-oefeningen en riep bittere verwijten vanachter haar muziekstandaard. Ze begreep niet wat Veerle in het knaapje ziet. Het waren tenslotte ook háár knikkers die ze nu kwijt waren.

De volgende middag kwam Petertje weer spelen. 'Dag, beste knikkermakker!', riep ik hem vrolijk toe, 'Winnaar van de Zak! Hoe maakt U het?' Petertje moest lachen, maar Veerle hoorde de dreiging in mijn stem en verdedigde haar vriend: 'Hij heeft me ook veel KANSEN gegeven hoor! Elke keer als ik verloor, kreeg ik nieuwe kansen, echt waar!' Ze liepen samen naar buiten. Knikkers waren er niet meer, maar kansen bleven er volop.


Updated June 6, 2001