Home

Klim

door Frans Goddijn

Toen ik vijftien jaar oud was, nam mijn moeder, een jonge weduwe, mij mee op vacantie naar Spanje. Het schooljaar was al begonnen, maar ik kreeg bij uitzondering toestemming om haar te vergezellen. Het dorpje aan zee werd ingesloten door een explosief groeiende toeristenstad. De reisbureaus en de hotels hadden de plaatsen, waar wij zwommen, aten en sliepen, gerieflijk gemaakt, maar de oorspronkelijke onherbergzaamheid van het gebied was nog lang niet overal achter de nieuwe luxe verborgen. Aan de vissers en hun gezinnen was te zien dat zij een zwaar leven achter de rug hadden, terwijl zij nauwelijks profiteerden van de vooruitgang van hun geboorteplaats. Zij waren slechts getuigen van de verdwijning van hun dorp.

Wie niet de geasfalteerde paden naar het strand nam, maar onder de hete zon de weggetjes naar de bergen insloeg, kwam al snel op onbegaanbaar lijkende paden, die alleen door Spanjaarden werden betreden. Terwijl mijn moeder sliep, slenterde ik langs het strand in de hoop een speelkameraad te vinden. Na een lange wandeling ging het toeristenstrand, telkens opnieuw bespoten met schoon zand, over in grijs stofzand, waarop miljoenen sprinkhanen uitrustten van hun reis op de golven van de wind. In de andere richting stuitte ik op een rots, waarin een stijl pad was uitgesleten. Het lukte mij niet er over te lopen, het ging te stijl omhoog en op mijn sandalen gleed ik uit over de klei-achtige steentjes die naar beneden rolden, overal waar ik stapte. Toch liepen anderen wél over hetzelfde pad naar boven, schijnbaar moeiteloos, alsof voor hen de zwaartekracht niet gold. Na een paar dagen vond ik een pijp, een waterleiding, tientallen meters van het pad verwijderd, die voerde naar een scherpe richel waarachter niets te zien was.

Hieraan kreeg ik houvast en ik klauterde telkens verder omhoog, tot ik strandde op een plateau. Ik zat vast, want terugkijkend ontwaarde ik een afdaling voor mij die nog steiler leek dan de klim die ik gemaakt had. Het strand met de eindeloze rijen bedden en kleurige parasols, waar ook mijn moeder lag, was veraf. Ik zag het oude mannetje dat met een rijdende koeltas van ligbed naar ligbed kroop om ijsjes te verkopen. Mijn moeder was bang voor hem. Zij durfde niet onaardig te doen en was eens met hem op de foto gegaan. Daags daarop had hij, verliefd, opgebeld, hij stond buiten het hotel op ons te wachten, en wij waren de hele dag binnen gebleven. Nu zat ik doodstil op de rots, kon niet naar beneden en was bang om te kijken. Ik moest proberen verder te komen, zo niet omlaag, dan naar boven. Biddend dat de waterleiding niet los zou laten van de dunne haakjes waarmee deze in de rotswand was geklonken, trok ik me omhoog, mijn voeten openkrabbend aan het broze steen.

Nat van angstzweet kwam ik over de laatste hindernis heen en bleek opeens terechtgekomen op een plaats waar ik vaker had gestaan. Vandaar immers liep een lift door de rots naar beneden, bestemd voor de gasten van het hotel dat uitkeek op ons stukje strand. De toeristen die het uitzicht kwamen bewonderen, keken verbaasd naar de jongen die vlak voor hen over het randje klauterde. Ik was trots op mijn bloedende knieën en nam de lift naar beneden om een ijsje te vragen.


Updated June 6, 2001