Home

Kaasheer

door Mies Prinsen

In 1960 kwamen wij weer in Den Haag te wonen, aan de Vrederustlaan 217. Het was in die tijd nog heel moeilijk woonruimte te vinden en als men die al vond was het ook nog maar de vraag of er een vergunning voor werd gegeven.

Toen in 1953 op 27 April de kerkelijke huwelijksinzegening plaats vond waren wij pas getrouwd volgens de geldende normen in die tijd. Wij kwamen beiden uit Rooms Katholieke gezinnen. Het wettelijk huwelijk was gesloten op 16 Maart 1953, maar dat hield niet in dat je dan al bij elkaar ging wonen. Over die periode later meer.

Na het huwelijk woonden we op de Loosduinseweg nummer 1075, bij een echtpaar waarvan de man bij mijn schoonvader in dienst had gezeten, de familie Haquebart. Voor 5 gulden in de week hadden wij een kleine kamer, waarvan 3 muren buitenmuren waren dus zeer koud in de winter, een diepe kast als keukentje en op zolder een slaapkamer, daar hingen de ijspegels s winters boven ons bed. Maar we waren, gezien de omstandigheden, blij dat we samen konden zijn. Wel was het zaak zo spoedig mogelijk iets te vinden dat ons wat meer vrijheid en gerieflijkheid zou bieden.

Dat lukte beslist niet in Den Haag en daarom solliciteerde Frans op een advertentie uit een vakblad waarin een chef kok gevraagd werd in Roermond bij Hotel Kissels op de hoek van de Venloseweg. We kwamen te wonen in de Kapelaan Sarsstraat 5 in Roermond. Ook daar over later meer.

Na drie jaren Roermond waar we een prachtig flat bewoonden kreeg Frans de kans om als consulent van de Stichting Leerlingwezen Horeca bedrijven verder te gaan. Voor deze aanstelling moesten we weer verhuizen. En weer naar Den Haag, waar we neerstreken door bemiddeling van het ministerie van onderwijs waar de stichting toen deel van uitmaakte.

Weer een verhuizing en weer een nieuwe flat.

We woonden er kort toen ik door een zeer bekakt sprekende mevrouw R. werd aangesproken, ze bleek mijn naaste buurvrouw te zijn. Het gezin R. bestond uit Jac met zijn vrouw Ria en hun zoontje Lex en een dochter waar ik de naam niet meer van weet.

Jac was een aristocratisch figuur met veel Haagse kak, liep met wandelstok of parapluie die hij als wandelstok gebruikte heel deftig met een arm op de rug, mooi rechtop. Ria was meer het wufte type dat zich aan zijn manieren probeerde aan te passen en daardoor ook probeerde indruk te maken.

Zo sprak ze gemaakt bekakt, vooral toen wij er pas woonden. Zij noemde iedereen Heer, en dat ging als volgt, waar gebeurd. Mevrouw Goddijn bij u komt altijd een kaasheer zou deze man ook bij mij een bestelling kunnen opnemen? Ik dacht wat krijgen we nu, Kaasheer? Ze bedoelde de heer Van Veen die bij mij graag boter en kaas wilde leveren zoals hij bij mijn moeder in Leiden sinds jaar en dag al deed. Het is onbegrijpelijk dat deze man helemaal naar Den Haag kwam, met zijn auto, om kaas te verkopen aan ons. Dat hij er dan klanten bij kreeg wist hij van te voren ook niet.

Van Veen had ook plezier van zijn nieuwe naam, ze bleef zeggen, goede dag kaasheer.

Op een gegeven moment vroeg ze of ik wist wanneer de "aanpikkelateur" kwam, dat woord kende ik niet en ik vroeg haar wie ze bedoelde, nou dat was de man van de gemeente die met zon prikstok de papiertjes tussen het groen kwam op prikken.

Pappa kon het goed met Jac vinden en af en toe kwamen ze bij ons op bezoek. Ria was voor Jac een beetje een sta in de weg voor de carrière die hij voor zichzelf had gepland. Zij had n.l. al een kind voor ze trouwde met Jac en dat was toen nog een schande. Jac was meester in de rechten bij een of ander ministerie maar was graag burgemeester geworden, dit laatste was onmogelijk door Ria haar "voorkind". Hoe bedenk je zon naam.

Het kind, de dochter van huize R. was niet van hem, en hij was dus getrouwd met iemand die "het" al gedaan had voor het huwelijk. Na menig keer solliciteren had hij het maar opgegeven, telkens ketste het af op de ongeschiktheid van R.

Wat Jac niet wist is dat Ria bijna dagelijks haar zwager ontving. Ze zette de deur al op een kier om tien uur dan kon hij zo doorlopen. Het ging altijd heel stil en snel, ik zo groen als gras zoals dat heet, schrok me te pletter toen op een verjaardag van deze zwager met zijn vrouw binnen kwam en Ria glashard zei, "wat leuk jou ook weer eens te zien" tegen die zwager.

Thuis gekomen vertelde ik dat aan Frans die moest lachen om mijn onnozelheid. "Neem maar van mij aan dat het een tante is die van wanten weet, die Jac wordt bedonderd." Tegen Frans zei ze eens toen ik niet thuis was "O, Frans weet je dat jij zonder bril nog veel knapper bent, je hebt een pracht profiel."

Ineens moet ik denken aan een gebeurtenis van de begin periode daar. Frans was nog bezig met zijn rijlessen en moest de leerlingen in de horeca bedrijven nog per trein bezoeken, een heel gedoe vooral als het regende. Dan moest hij in de meeste gevallen een fiets huren in een of andere stad om bij zon afgelegen bedrijf te kunnen komen. Was het regenweer dan kwam hij naar huis want met pakkie deftig, kan je niet verregend in zon eersteklas bedrijf aankomen.

Op een avond stonden Yvonne en Fransje op het balkon aan de voorkant terwijl ik aan het koken was. Je kon er de bus zien aankomen die schuin aan de overkant stopte. Ik zei tegen de kinderen "kijk maar goed of Pappa er aan komt dan doen jullie de deur voor hem open, misschien is Pappa wel weer nat van de regen."

Dat laatste had ik beter niet kunnen zeggen, want toen Frans er aan kwam renden die twee naar de deur en over de leuning van het trappenhuis, vier hoog, kijkend riep Yvonne zo hard ze kon naar beneden, "Pappa je bent zo nat als een klootzak."

En dat met zo'n bekakte buurvrouw. Ons visitekaartje was uitgereikt.

Mies, Mei 2001


Updated May 6, 2000