Home

Gast

door Frans Goddijn
Aan het tuinhekje staan twee turkse kleuters te kijken hoe ik met een schootcomputer op mijn knieën zit te werken. Als ik opkijk en 'hoi' roep, maken ze het hek open. Een geeft me zijn (linker) hand, de ander houdt de zijne stevig in zijn zakken. Met verbazing kijk ik terug op mijn jeugd, toen er geen 'buitenlandse kinderen' bestonden. Heel jong nog liep ik, in de wijk die nu overwegend buitenlanders huisvest, naar school langs vervallen huizen die inmiddels plaats hebben gemaakt voor nieuwbouw. Voor één rij huizen was geen stoep, slechts een brede goot waarin haveloze kinderen speelden waar ik bang voor was, met wie ik niet wilde praten. Maar alle kinderen waren blank. De term gastarbeider kende ik wel, want de ouders van mijn vriendje Rudie bezaten drie herenhuizen, vertimmerd als pension voor gastarbeiders.

Hij had een avontuurlijk leven: Rudie kon en mocht alles, hij verbouwde zelf kamers of hij repareerde lekkages met een soldeerbout - de dikke druppels gesmolten tin vielen op het zeil en veranderden in flinterdunne plaatjes zilver van grillige vorm. Rudie kon praten en tellen in een onverstaanbare taal die hij van de kostgangers had overgenomen. Wanneer wij hem wilden plagen, scholden wij hem uit voor gastarbeider. Zijn donkere krullen, soms met een keppeltje op zijn kruin, gaven hem een buitenlands gezicht. Hoewel het woord 'gastarbeider' nieuw was, voelden we aan dat het geschikt was om er mee te kwetsen. Vandaag weten mijn kinderen niet eens meer wat het woord betekent, want de 'gasten' zijn gebleven en buurtgenoten geworden. Hoewel de meeste buurtkinderen allochtoon zijn, lopen mijn dochters naar hun Vrije School om de hoek, waar geen allochtonen zijn te vinden. Daardoor leven mijn kinderen voor een deel in de wereld zoals ik die kende.

Rondom ons huis wonen Fatma, Sazia en Deria - die, als oudste, met Abla wordt aangesproken -, vriendinnetjes van mijn dochters, maar op school zijn het vreemden voor hen. Twee gekleurde meisjes op de Vrije School, die wordt bezocht door kinderen uit de wijde regio, zijn geadopteerd van Sri Lanka. Ik schrok laatst toen een van mijn dochters zei dat ze het niet erg vond om twee bruine kinderen op school te hebben, maar dat ze het niet leuk zou vinden als er meer bruine dan witte kinderen zouden zijn. Waarom schrok ik van haar woorden? Misschien uit gêne voor gevoelens die mijn dochter nog onbevooroordeeld kan uiten. Toen ik zo oud was als zij, had ik nog nooit een zwart kind meegemaakt. Ik had wel geleerd dat in Amerika zwarten werden achtergesteld 'om de kleur van hun huid', maar - ik schaam me het te vertellen - dat leek me een tijdelijk probleem, tot er een zalf zou komen om die achtergestelden van hun huidskleur af te helpen. En hoe kan ik nu verwachten dat de kinderen vriendschappen sluiten met buitenlandse kinderen als ik zelf geen allochtone vrienden heb?

De enige keer dat ik kameraadschappelijk omging met een Turk, was jaren geleden, toen ik borden waste in de kelders van een hotel. Mijn oudere collega Ahmed leerde me om kalm te blijven onder het vuil, de commando's en de scheldwoorden die van boven op ons werden toegevoegd. Hij schonk koffie aan een tafeltje dat hij zelf had geïmproviseerd, liet me naast zich zitten en gebaarde met beide armen naar boven, terwijl hij zei: 'Allemaal hellepe niks! Eerst koffie.' De turkse kleuters hebben de tuin inmiddels weer verlaten. Een merelvader hipt onze keuken binnen om kattevoer te pikken voor zijn jong, dat al bijna is volgroeid, maar, piepend en wapperend met één vleugel, nog altijd genoeg hulpeloosheid kan veinzen om verzorging af te dwingen.


Updated June 6, 2001