Home

71 en gevaarlijk

door Mies Prinsen
29 Juli 2001

- 71 en nog gevaarlijk Enkele weken voordat ik 36 jaar werd overleed plotseling mijn partner Frans Goddijn. Hij was net 38 jaar oud. Een hartinfarct, heel onverwacht. In de vroege morgen van 21 April 1966. Voor de kinderen, Yvonne was in februari 12 geworden en Frans was op een week na 10, was het een niet te bevatten feit dat hun pappa er ineens niet meer was. Terwijl ook mijn leven op zijn kop kwam te staan, met plotse eenzaamheid. De verlatenheid en opstandigheid vermengde zich met verdriet dat ik niet kon tonen, want ik moest flink zijn voor de kinderen.

Als in de beginperiode David Hambrick, vriend van de familie, er niet was geweest dan had ik helemaal alleen de eerste tijd moeten doorbrengen. Dave was juist weer in Arnhem, uitgezonden door zijn werkgever, Pennsylvania Transformers uit Pittsburg om hier, zoals vaker, bij de KEMA tests te doen in het kortsluitlaboratorium. Hij kwam vaak bij ons, kon het goed vinden met Frans en hij vond de Hollandse huiselijkheid fantastisch. Hij bleef nog 6 weken en kwam dagelijks naar ons toe. >P> Maar Frans was weg. Zomaar op de eerste zonnige voorjaarsmorgen had zich de grootste ramp in mijn leven voltrokken. Enkele dagen daarvoor, het was al lange tijd somber weer, had Frans nog gevraagd "Mies waar blijft de zon?" -- hij heeft er niet meer van mogen genieten.

Ik weet nog dat ik het zo gek vond dat buiten alles gewoon doorging. We woonden aan de Velperweg en alle verkeer ging door, de melkboer kwam met zijn kar aangetuft terwijl Frans even daarvoor was overleden. Alles hield voor mij op na die schok terwijl de rest van de wereld deed of er niets was gebeurd. Ik had willen schreeuwen "FRANS IS ER NIET MEER, LAAT MAAR, HET HOEFT NIET MEER"!!!

De eerste jaren waren moeilijk, eenzaamheid, verlatenheid en opstandigheid wisselden af en alles bij elkaar was het verstikkend.

De tweede klap kreeg ik toen ik al enkele weken daarna ontdekte dat veel bekenden mij ontliepen omdat ze de confrontatie niet aan konden of durfden. Wat later weer werden er vrouwen jaloers en kwamen die niet meer. Juist toen ik mensen het hardst nodig had.

Eens kwam er een collega van mijn man met zijn vrouw bij me. Op een gegeven moment zei hij, "wat zou Frans trots op je zijn, je doet het toch maar". Zijn vrouw kon dat niet waarderen, en ik heb ze nooit meer gezien. Ook kreeg ik eens bij mijn vertrek de jas aangereikt door de heer des huizes en ik hoorde op de achtergrond "dat zal je nou bij mij nooit doen." Ik ging daar dan niet meer naar toe. Ja, als vrouw alleen moet je oppassen.

En wat blijkt, ik ben nu, de zeventig gepasseerd, nog steeds een gevaar. Te gek voor woorden toch? Nu kan ik het gemakkelijk naast me neer leggen, al vind ik het van een soort armoede getuigen. En eigenlijk krenkt het toch.

Kort geleden werd ik aangesproken door de vrouw van iemand die ik erg sympathiek vind en die er dezelfde hobby als ik er op na houdt, schilderen. Mij werd verweten dat ik tijdens de nieuwjaarsborrel meer aandacht had voor hem dan voor haar en meer van die flauwekul. Ik weet wel dat zoiets meer over die ander zegt dan over mij, maar ik wil mijn spontaniteit niet verliezen en mezelf blijven. Het heeft me wel gekwetst dat er gedacht werd dat ik uit was op ander contact, dan alleen vriendschappelijk.

Die jaloezie en achterdocht van veel vrouwen maken juist dat ik liever praat met mannen. Mannen hebben mij meer te melden, zeuren niet over mode, lijnen en winkelen en meer van dergelijke onbelangrijke zaken. Waar gaat het nou eigenlijk om? Vriendschap is vertrouwen en er zijn voor elkaar. Ik durf te zeggen dat ik dat gegeven heb maar weinig zelf heb ervaren.

De eenzaamheid is allang verleden tijd. Ik heb het goed met mezelf, dat is pure winst. Loslaten is mijn motto, ik oefen nog steeds.

Overigens mijn lijfspreuk handhavend zeg ik:

Ik ben net een banaan,
Met zijn allen aan de tros,
maar alleen in mijn schil


Updated July 6, 2002