Home

Mooi blik

door Mies Prinsen

Na het bombardement op Rotterdam in 1940, toen het hart van Rotterdam was platgegooid door de Duitsers, waren er heel veel mensen dakloos. Al deze mensen moesten hun plekje maar weer zien te vinden, als ze het al hadden overleefd. Zo kwam de Familie van Hattem naast ons wonen, die alles kwijt waren door dat bombardement.

Het bovenhuis behoorde toe aan een pas getrouwd stel, de heer en mevrouw Onvlé, ik zal die mensen ook nooit vergeten omdat ze op mij, als jong meisje, een diepe indruk hebben gemaakt. Zij kwamen ongeveer één jaar voor de oorlog naast ons wonen en waren nog zo verliefd, wat ik mooi vond om te zien. Als Onvlé ís morgens op de fiets naar kantoor ging zwaaiden ze naar elkaar tot hij helemaal de lange Hoge Morsweg af was gereden. Dat heeft me steeds ontroerd.

Toen de moffen ons land in bezit hadden genomen, werd al korte tijd daarna de nog jonge en o zo gelukkige heer Onvlé van zijn werk gehaald en naar Duitsland getransporteerd, het waren n.l. Joodse mensen, ook zijn vrouw werd niet veel later opgepakt. Ze zijn nooit meer terug gekomen en op de inmiddels bekende manier door de moffen vermoord. Jaren heb ik voor deze mensen gebeden.

Toen die verrekte n.s.b.-lui het huis hadden leeggeroofd, stond dat leeg tot dat de Rotterdamse familie Van Hattem er aan kwam. Hoe zielig het ook voor deze mensen was dat ze van hun plek beroofd waren, ik kon niet goed hebben dat zij in het huis gingen dat aan die twee lieve mensen toe behoorde.

Maar goed, die familie was er nu eenmaal, we moesten het maar accepteren. We wisten toen nog niet dat de heer Van Hattem zo brutaal was als een hond. Stond de voordeur even los dan had je binnen de kortste keren deze man zo maar in je gang en als het even kon in je kamer. Hij keek dan rond en zei "als jullie daar of daar niets meer mee doen neem ik het wel mee." Of ongevraagd had hij de telefoon al in zijn handen en zei doodleuk "ik bel even hoor."

Met een groot gezin, en dat kon nog in die tijd, liet je gewoon even de deur open om verderop even een boodschap te gaan doen. Dat kon niet meer door deze buren. We kregen dat goed op het hart gedrukt. Ze vonden nog van alles in dat huis wat van de ontvoerde familie Onvlé was en de rest werd hen door inzamelingen gegeven, ze kwamen niets tekort. Het was dan ook gewoon de aard van het beestje, die brutaliteit.

Mijn vader ergerde zich al een tijd aan deze manier van halen wat er te halen is. En nu komt het. Het blik dus dat de twee jongens mee het luik ingeschoven kregen en dat ís morgens vol met pis voorzichtig naar beneden werd gelaten alvorens de twee weer uit deze schuilplaats konden komen, het paste allemaal net, dat blik werd geleegd en de hele dag om te luchten in de tuin gezet.

Nu had zowaar van Hattem dat blik zien staan. En op een gegeven moment werd er aangebeld en kwam hij vragen "dat blik staat toch maar in jullie tuin, dat kan ik goed gebruiken om er bietenstroop in te koken." [bietenstroop maakte iedereen omdat er geen suiker was, suikerbieten werden dan in kleine stukjes gesneden en uitgekookt, je had dan stroop]

Ik weet nog goed dat moeder met ingehouden lach de kamer binnen kwam en aan vader vertelde wat haar gevraagd was. "Staat hij verdomme weer in de gang" vroeg vader, "nee" zei moeder "ik heb de deur dicht gedaan en gezegd dat ik met jou zou overleggen." "Dat is heel mooi", zei vader en met een ondeugende glans in zijn ogen die ik heel goed van hem kende, haalde hij het blik en zei "ja hoor van Hattem mag hier stroop in koken". Hij gaf het hem zelf. Wij hebben er veel plezier om gehad.

Mies Prinsen, 4 Mei 2001